Werken mag geen gevaar voor de gezondheid zijn
Arbeidsongevallen zijn geen fenomeen uit de geschiedenisboeken, samenhangend met de gevaren van grote fabrieken. In België komen ze nog even vaak voor als vroeger. Het aantal ernstige ongevallen is in bijna veertig jaar niet gedaald. Bovendien wordt de werknemer bij een arbeidsongeval vaak verantwoordelijk gehouden: hij heeft zich niet aan de veiligheidsvoorschriften gehouden, beschikt niet over de juiste professionele uitrusting, ...
Wat is de ervaring op het terrein? Geneeskunde voor het Volk, een door de PVDA opgericht netwerk van groepspraktijken, heeft zich over dit grote probleem gebogen.
Verzekeringen bagatelliseren het probleem
In België bepaalt een wet uit 1971 wat wordt verstaan onder een arbeidsongeval. Het is een "plotselinge gebeurtenis" die "letsel" (lichamelijk of psychisch) veroorzaakt bij de "werknemer", dat wil zeggen een persoon die op het moment van het ongeval aanwezig is vanwege zijn werk. In 1971 koos België er ook voor om de afwikkeling van arbeidsongevallen toe te vertrouwen aan particuliere verzekeraars. Het is aan die verzekeraars om ongevallen al dan niet te erkennen en de impact ervan te beoordelen.
Fedris, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, verzamelt al sinds 1985 cijfers over arbeidsongevallen. Als je naar de cijfers van de afgelopen veertig jaar kijkt, zijn er op het eerste gezicht steeds minder arbeidsongevallen. Maar er zijn twee kanttekeningen: verzekeringen weigeren steeds vaker om ongevallen te erkennen en werknemers maken er steeds minder melding van.
De meest objectieve indicator voor ongevallen op het werk is eigenlijk het aantal ernstige ongevallen, omdat die meestal sneller worden gemeld en door de verzekering worden erkend. Een arbeidsongeval wordt als ernstig beschouwd als het levenslange gevolgen heeft (vanaf 1% blijvende invaliditeit): als de werknemer bijvoorbeeld een vinger niet meer volledig kan buigen of mank loopt sinds het ongeval. De afgelopen 40 jaar is er een stijgende trend te zien in deze categorie ongevallen, ondanks alle technologische vooruitgang.
Lees verder onder de grafiek

Pech of winstbejag?
Er wordt niet altijd gekeken naar de oorzaken van ongevallen op de werkplek. Als er een bedrijfsanalyse wordt uitgevoerd, is die vooral gericht op het zoeken naar de menselijke verantwoordelijkheid, een fout van de werknemer. De analyse van die ongevallen stelt ons helaas vaak niet in staat om de omstandigheden waarin het ongeval plaatsvond ter discussie te stellen.
Toch kennen veel ongelukken structurele oorzaken: verhoogde werkdruk, gebrek aan personeel, nachtdiensten, ... Wat het laatste betreft: mensen zijn gemaakt om overdag actief te zijn, niet 's nachts. Nachtwerk komt echter steeds vaker voor en dat heeft een directe invloed op het aantal ongevallen op de werkplek. Aangezien nachtwerk de afgelopen tien jaar door de regeringen systematisch werd bevorderd, is het aantal ongevallen dat 's nachts gebeurt gestegen (zie grafiek). De versoepeling van de nachturen waarover de toekomstige Arizona-regering spreekt, roept dus vragen op. Net als de extreme flexibilisering en het misbruik van uitzendwerk.
Lees verder onder de grafiek.
Ervaring vormt een belangrijke bescherming tegen werkongevallen. Hoewel slechts elf procent van de werknemers minder dan een jaar anciënniteit heeft, doet bijna een op de drie ongevallen zich bij hen voor. Het ACV wijst eveneens op de oververtegenwoordiging van onderaannemers en uitzendkrachten bij arbeidsongevallen. Een uitzendkracht heeft twee keer zoveel kans op een arbeidsongeval bij hetzelfde werk.
Het hoogste aantal arbeidsongevallen zien we in de meest flexibele bedrijven: in de bouwsector, waar onderaanneming alom tegenwoordig is (de eerste beroepsgroep qua arbeidsongevallen) en in de sector van dienstencheques (de tweede groep).

De werkgever verantwoordelijk houden
Naast deze structurele oorzaken zijn ongevallen soms ook te wijten aan bazen die gewetenloos omgaan met de veiligheid op het werk. Daarvoor is de zogenaamde sanctie voor bedrijven met een verzwaard risico ingevoerd, een instrument dat het Rekenhof in 2021 evalueerde. Deze sanctie straft bedrijven wanneer hun ongevallen percentage ver boven het gemiddelde ligt. Maar het Rekenhof wijst op de beperkingen van dit systeem.
Ten eerste benadeelt de berekening van het "overschot" kleine bedrijven (90% van de gestrafte bedrijven telt minder dan 50 werknemers). Ten tweede betalen bedrijven de boetes niet altijd. En tenslotte is er geen garantie dat deze sanctie ook daadwerkelijk ongelukken voorkomt. De boetes zijn ook aan de lage kant. Ze bedragen 4037,57 euro voor bedrijven met minder dan 50 werknemers. Het bedrag neemt met 2691,71 euro toe voor elke extra 50 VTE's (voltijdsequivalenten), tot een maximum van 20.187,86 euro.
Luisteren naar de werknemers
Werknemers moeten een centrale rol spelen in de strijd tegen arbeidsongevallen. De rol van vertegenwoordigers in het CPBW (Comité voor preventie en bescherming op het werk) moet worden versterkt en mag niet langer beperkt blijven tot een adviserende rol. De drempel van het aantal werknemers dat nodig is om dit overlegorgaan op te richten, moet verlaagd worden. De huidige drempel van vijftig werknemers betekent dat meer dan één op de drie ongevallen niet met de werknemers wordt besproken.
We moeten ook op onze hoede zijn voor de nieuwe voorstellen van de Arizona-coalitie. Er is alle reden om aan te nemen dat veel maatregelen zullen leiden tot een toename van de omstandigheden die leiden tot arbeidsongevallen. We mogen niet fatalistisch kijken naar arbeidsongevallen en ze beschouwen als pech, maar moeten de verantwoordelijken ter verantwoording roepen. De arbeidsomstandigheden worden steeds slechter, met name door de toenemende flexibiliteit. Dat leidt rechtstreeks tot meer ernstige arbeidsongevallen, zoals blijkt uit de cijfers.



